Geschiedenis van Leidschendam


Het huidige Leidschendam ontstond in 1938 uit samenvoeging van Stompwijk en Veur. De benaming Leidschendam was al eeuwenlang in zwang. Daarmee werd de bebouwing rondom de Sluis in de Vliet bedoeld, vooral in de 18e en 19e eeuw talloze malen op kopergravures en litho's afgebeeld.

De noordzijde van de 'Leidschen Dam' werd Veur genoemd en was reeds voor het begin van onze jaartelling bewoond zoals opgravingen hebben aangetoond. De benaming Veur - als Fore - vinden we voor het eerst in een goederenlijst van de Utrechtse Sint Maartenskerk die de bezitsverhoudingen van kort voor 900 weerspiegelt. De benaming Fore zou verwijzen naar het bestaan van bossen. Tot in de middeleeuwen was er bebossing in deze streek, getuige de aard van het landgoed Schakenbosch.

In 47 na Chr. liet de Romeinse veldheer Corbulo een gracht graven. Een klein stuk van die vaart, de Fossa Corbulonis, is gereconstrueerd in de wijk de Rietvink. Deze vaart maakte deel uit van een waterweg die later de Vliet genoemd werd en al sedert de middeleeuwen een belangrijke verbinding voor vervoer van personen en goederen in Holland geworden was. In de nabije omgeving van de huidige sluis lag van oudsher een dam 'Hoven Zijdwinde' genaamd, waaromheen allerlei bedrijvigheid ontstond: molens, herbergen, werkplaatsen en opslagplaatsen van handelswaar.

Op de plaats van De Zwaan, vroeger een herberg, stond nog in 1594 een korenmolen. Aan de andere kant van de Vliet werden houtzaagmolens opgericht, De Salamander in 1643 en De Hoop in 1739. De Salamander werd enige jaren geleden in volle glorie hersteld.

In de zeventiende en achttiende eeuw vestigden veel aanzienlijke families met functies in de bestuursorganen van Holland en de Republiek der Verenigde Nederlanden zich in Veur en omstreken en stichtten daarvoor fraaie buitenverblijven. De laatste resten bos maakten plaats voor siertuinen en tuinderijen waarin ook bij wijze van experiment allerlei nieuwe gewassen gekweekt werden. Agrarische ontwikkelingen hadden al voor 1800 geleid tot het ontstaan van de huidige marktgerichte tuinderij.

In 1646 werd Veur, los van Voorschoten, een afzonderlijke heerlijkheid. Met de Bataafse omwenteling werd ook Veur van 1795 tot 1811 een bestuurlijk zelfstandige eenheid: de Municipaliteit Veur.

Aan de overkant van de Vliet, de zuidzijde, ontstonden Wilsveen en Stompwijk als nederzettingen. Dat gebeurde kort na 1200 bij de ontginning op initiatief van de Hollandse graven van de uitgestrekte moerassen. In Wilsveen was het aantal inwoners al spoedig groot genoeg voor een eigen kerkje, een aan Maria gewijde kapel.

Vanaf begin 17e eeuw kerkten hier hervormden. Ook konden kinderen naar school, hier en in de Meer. In 1610 kwam het overheidsgezag in Stompwijk in handen van het stadsbestuur van Leiden.
De veenderij, het slagturven genoemd, had in de eeuwen vóór 1800 het landschap omgevormd in een plassengebied. Maar liefst twintig molens waren omstreeks 1800 noodzakelijk voor de waterhuishouding in Stompwijk en Wilsveen. Veel turfwerkers trokken weg toen de veenderij over haar hoogtepunt heen was. In 1820 werd de intussen bouwvallige kerk afgebroken. Alleen de begraafplaats belichaamt nog de herinnering aan het oude Wilsveen.
Voor Stompwijk was de negentiende eeuw een fase van groei. In 1807 telde Stompwijk zo'n 700 inwoners van wie de meesten katholiek waren en geregeld de kerk bezochten. Die kerk was in 1754 gebouwd als opvolger van een schuurkerk. Kort na 1870 werd de neogotische Laurentiuskerk gebouwd, voorzien van een pastorie en in 1906 een nonnenklooster van waaruit het onderwijs voor de meisjes verzorgd werd.

In twee van de herbergen aan de Dam, 't Eiland aan de Veurse zijde en De Zwaan voor Stompwijk, hielden de besturen en rechtscolleges van beide dorpen zitting. De twee dorpen werden in 1811 samengevoegd onder de benaming Leidschendam, een bestuurshervorming die al weer in 1817 werd teruggedraaid. Daarna hadden Stompwijk en Veur tot aan hun opheffing in 1938 een bijzondere band: samen één burgemeester en één gemeentesecretaris.


 De herberg 't Eiland brandde in 1870 uit en maakte in 1880 plaats voor de neogotische Petrus- en Pauluskerk, opvolger van de veel bescheidener Waterstaatskerk uit 1827. In 1653 werd aan de Dam voor de eerste maal gekerkt in de Hervormde kerk aan de Stompwijkse kant van de Vliet. Na een verwoestende brand in 1693 spoedig herbouwd werd de kerk - in onze tijd onder de naam Peperbus - beeldbepalend voor Leidschendam. De restauratie van 1865 gaf deze kerk een piramidevormig dak.

Het karakter van een rustige plattelandsgemeenschap werd vanaf 1885 sterk beïnvloed door de landbouwcrisis en de komst van de tramverbinding Leiden - Den Haag. Vanaf het begin van de twintigste eeuw nam het aantal overheidstaken sterk toe, zeker bij de opvang van de crisis aan het einde van de Eerste Wereldoorlog en in de jaren 1930-1936. De vestiging van een Spoorwegwerkplaats en daarmee de komst van spoorwegwerkers en de snel groeiende vraag naar huisvesting van Haagse forensen veroorzaakten verstedelijking en noopten tot gemeentelijke herindeling. Daaruit ontstond in 1938 de nieuwe gemeente Leidschendam. In 1940 nam het gemeentebestuur zijn intrek in het Raadhuis, ontworpen door Kropholler.